Project 366

Sinds 1 januari neem ik de uitdaging aan van Kit Kelen om elke dag iets te posten op Project 366. Ik schrijf aan een lang gedicht, waaraan ik elke dag iets toevoeg, als een soort poëtische slak. Daarbij alludeer ik soms op de actualiteit, persifleer ik af en toe inspirerende voorbeelden en ben ik ook vatbaar voor interventies van u! Reageer daarom en word met of zonder naam opgenomen in mijn gedicht, voor de eeuwigheid. Hieronder kan u elke week de volledige tekst komen lezen, maar volg de groei van 366 op deze blog.

On New Year’s Day I took on the challenge of Kit Kelen to post every day on Project 366. I’m writing a long poem, and add something every day. Sometimes I allude to the newspapers, inspiring writers or Pop stars, and I am also willing to use interventions from you! You can read the full text underneath, but do follow the process on this blog.

Ik vroeg me af of je nog langskwam,
er bleef geen plaats meer in je afdruk

voor iemand die tussen de wanden
mensen kon indammen als water.

Parken stonden vol tenten
die onze gedachten verbonden als een los weefsel.

De hele dag voelde ik een hartslag
die mij vertelde wie jij was.

Een kind knipte een papieren zon
en hield die zo dat de wolken bedekt werden.

(afbeelding 1 )1

 

Een jongen viel neer aan de tramhalte.
Hij hield van, hij hield van zijn meisje.

 

We gaan morsig om met de tijd
die ons gegeven is.

image2

(afbeelding 2)

 

Eén seconde:
de tijd om een mond te openen
en te sluiten.

 

We moeten goed ademen
in deze goede nacht.

image3

(afbeelding 3)

 

Twee seconden:
een hand die zich opent,
waarin ik scherven leg.

image4

(afbeelding 4)

 

Drie seconden:

nachtzicht, en sterrenstof.

5

 

(afbeelding 5)

 

Vier seconden:
een man die zich omwikkelt met draden.

6

(afbeelding 6)

 

Vijf seconden:
we wuiven het scherm in onze hand
bekijken de opstand in de blauwe moskee.

7

(afbeelding 7)

 

Onder water hap je:
adem, vergelding, een snoekvis,
waterplanten als blauwe ogen.

Gekooid kijk je naar buiten en naar binnen
met opstaande koepels om je hoofd,
het ontbreken van elke rok.

8

(afbeelding 8)

 

Tussen de lichamen die zich buigen,
op de knieën dichtplooien,
de armen gestrekt, de hoofden
strak naar de moedertempel,

9

(afbeelding 9)

woon ik, warm en alleen,
met mijn worm in een donkere doos.

 

De enige plek waar je kan wonen, zijn je woorden,
en wensen die luid in de nacht blijven schallen
tegen deze kartonnen wand.

10

(afbeelding 10)

 

Zes seconden:
We spraken met eenvoudige woorden.
Ik was vreemd in dit verhaal, koos

niet het zand,
het hollen van keien,
schietende planten,

niet het trekken van een pad,
het zweet van paarden, kamelen,
de kleur die de aarde versnijdt, niet

de ondrinkbare bron,
niet de tomeloze tijd.

Het is goed zich niet te schikken.

Een open hemel schittert.
Grond ligt voor.

Het is begonnen – en
of en hoe het eindigt –

Zeven:
een dichter schrijft op een nacht een brief
en onderhuids lees ik een kiem die langzaam uitbreekt –

klimmend, als rhisoom ontstaan,
steeds strakker rond de omheining.

Acht: ik antwoord de dichter, intussen
verwekt de bananenplant op de vensterbank

drie kinderen. Eén herinnert zich het peperkoeken huis
waarin het een ander leven beëindigde,

het tweede wacht hol, als een halve man,
trekt zich los, gaat de straat in, springend

terwijl het derde, verlegen
en in zichzelf gekeerd

blinkt in het ochtendlicht –
hierbij bedenk ik,

starend naar de leliebrug,
het ondiepe water,

de paarse glans van mijn territorium,
de verrimpelde Toyota op de straat beneden,

dat ik ten hoogtste één kiem verdraag:
die van woekerende zinnen,

die als dampende katten
door de bedrieglijke regelmaat van mijn gedichten springen.

11

(afbeelding 11)

12

(afbeelding 12)

13

afbeelding 13)

Negen seconden: een spinnend dier
legt zich op of naast mijn schoot,

ondertussen betrekt de lucht boven de stad
en stamel ik woorden die ik zelf niet begrijp.

Twee olieachtige vleugels, klam en onrustig,
klappen open en spannen zich wijd.

Ik kijk hoe een harpij de wolken temt
en de opkijkende voetgangers met haar schaduw bedwelmt

tot zij klapwiekt, en weer vertrekt.
Beneden worden de ogen steeds groter.

De jongen van het postorderbedrijf belt aan,
voor mijn voeten gooit hij een grote doos
waarin een badpak, een buikband,

een rolletje plakband, een nog te lezen boek,
een flesje badolie, een te klein gekochte bril,

twee bladzijden uit een afgedakte krant,
een verkeerd gespelde brief,

een lok krulhaar van een vergeten geliefde,
de afdruk van zijn lippen op het bierglas,

de Afrikaanse bloem die hij ooit voor me kocht
maar die ik bij onze laatste ontmoeting

aan zijn voordeur liet staan,
het treinticket en de onderbroek

die hij vond op weg naar de trap.
De jongen van het postorderbedrijf belt aan

en spelt me de les: per pakket
heb ik recht op slechts één verpakte herinnering.

De gekrulde geliefde stuur ik terug naar de afzender,
ik kies voor de zachte herinnering aan regen op de dakrand,

aan hoe ik met doorschijnende tape
de witruimtes in dit gedicht afplak.

(afbeelding 14)(afbeelding 15)(afbeelding 16)(afbeelding 17)(afbeelding 18)(afbeelding 19(afbeelding 20)

Tien seconden: ik sluit mijn ogen
en kruip in het pakket.

Langs de spleet onder de postzegels
kruip ik de donkere doos binnen,

waar het warmer wordt,
en ik steeds kleiner,

een donkerrode sluier mijn wangen bedekt
en ik door natte, onderaardse gangen,

iets tussen een darmwand en een baarmoeder in,
naar het ontbreken van licht afdaal.

We kunnen er enkel kijken met onze handen
en onze neus, die een slijmspoor waarneemt

tussen het stof. Ondertussen vraag ik mij af
hoe ik weer zo zacht geworden ben, zo krachteloos

en al deze mensen rondom zo benig
dat ik mijn glimlach met hun ledematen snijden kan.

 

(afbeelding 21)(afbeelding 22)(afbeelding 23)(afbeelding 24)(afbeelding 25)(afbeelding 26)(afbeelding 27)(image 28)

 

De meeste mensen eindigen als gedroogd fruit
maar beginnen als een frisse druif,

een mandarijn, een nectarine,
een glanzend barstende appel.

Nu springt er onverwachts een knop
die niet te stillen is van binnenuit

en zelfs de zachtste wand slaat in scherven.
We weten niet meer waarom dit gebeurd is.
We weten niet meer hoe onze gezichten
er uit zagen toen het donker werd

en de lucht gevuld werd door wolken,
splinters en bloed. We weten

dat vlak naast ons een zwarte vrouw
een kind hield in haar draagdoek,

dat de soldaat aan de inkom
net nog vriendelijk knipoogde,

dat ik met handen en voeten verankerd leek
in jouw blik,

en dat ik mij afvroeg hoeveel winkelkarretjes je nodig had
om heel je wereld mee te zeulen

 

naar de overkant,
dat plotse wit,

waar het stil was, drie seconden,
of zelfs negen, zeven of tien,

Ik ben de telling haast vergeten.

 

Ik vroeg me af of je nog langskwam,
er bleef geen plaats meer in je afdruk.

 

Ik speelde met mijn schaduw,
spiegelde op mijn vel de zon.

 

Ik was vergeten wat ik hier kwam doen
maar zag mijzelf veranderen

in een leeuwenvacht,

een platte kei,

een zandbank,
het fladderende wier dat onder water

nog het meeste lijkt op handen
maar dan wapperend, en kansloos

 

omdat je elke dag weer terugkomt en verdwijnt
als scherp tij dat deze minuten niet lijkt te willen omzeilen.

 

Ik vroeg me af of je nog langskwam,
liet mijn hoofd onder het wateroppervlak zakken

 

en zong in het blauw oude liederen:

my sarie marais, op all’oeken van de stad,

I’m standing down at the crossroads,
falling on my knees.

 

Het probleem is, ik heb een klein zwart boek
en jouw naam staat geschreven op elke pagina

(afbeelding 29)(afbeelding 30)(afbeelding 31)(afbeelding 32)(afbeelding 33)(afbeelding 34)(afbeelding 35)(afbeelding 36)(afbeelding 37)(afbeelding 38)(afbeelding 39)

Het ding is, ik heb een klein zwart boek
en jouw naam staat geschreven op elke pagina.

Al die namen die ik gewoonlijk kerfde
in de palm van mijn hand

– moeder, vader, geliefde, kind –
ik zou ze uiteindelijk vergeten,

maar jij, met je zwarte naam,
je onuitspreekbare, gebarsten,

met je onuitputtelijke, vervliegende,
je neerslachtig spruitende, kietelende naam,

ik heb je op de platte kant van een kei geschreven
en je naast de zee gesmeten.

Al die namen die ik gewoonlijk kerf
in de palm van mijn hand,

ik ben ze wel eens vergeten,
en in het donker herinner ik me enkel

mijn eigen naam, jouw zwarte boek,
de bloedende afdruk van mijn hand op een kei.

 

 

 

I wondered if you would stop by,

there was no room for someone in your footprints

 

for one who, between walls,
could embank people like water.

 

Parks were filled with tents,
our minds loosely woven.

 

All day long I felt a heartbeat
that told me who you were.

 

A child cut out a paper sun
and kept it so that the clouds were hidden.

 

(image 1)

 

A boy fell down at the tram stop.
He loved her, he loved her, his girlie.

 

We neglect the time that’s given us.

 

(image 2)

 

One second:
the time to open this mouth
and close it.

 

We have to breathe carefully
in this good night.

 

(image 3)

 

Two seconds:
a hand that opens.
I fill it with splinters.

 

(image 4)

 

Three seconds:

from nightsight to stardust.

 

(image 5)

 

Four seconds:
a man wraps himself with rope into a pupa.

 

(afbeelding 6)

 

Five seconds:
we wave the screen in our hand,
watch the uprising in the blue mosque.

 

(afbeelding 7)

 

Under water you gasp:
breath, revenge, a pikefish,
waterplants become blue eyes.

 

*

 

You look inside and outside, caged,

erected domes around your head,
while any skirt is missing.

 

(image 8)

 

Between folding bodies,
bowing on their knees,

arms stretched, heads
firmly towards the mother temple,

(image 9)

 

is the place where I live, warm and alone,

with my worm in a dark box.

 

The only place where you can live, is in your words,
and in wishes that keep echoing in the night
against this cardboard wall.

 

(afbeelding 10)

Six seconds:
we spoke simple words.
I was a stranger in this story, chose

not the sand,
the running of pebbles,
sprouting shoots,

not the
the sweat of horses, camels,
the colour that dilutes the earth, not

the undrinkable well,
the boundless time.

We do well not to adjust.

An open sky shines,
Ground lies ahead.

It has started – and
if and how it ends –

Seven: a poet writes a letter one night
and below the skin I read a seed that germinates slowly –

climbing, sprung like a rhizome,
steadily tightening around the fence.

Eight: I answer the poet, meanwhile
the banana plant produces offspring on the windowsill.

Three children. One remebers the gingerbread house
in which it ended a former life,

the second one awaits caved, like a half man,
tears itself loose, walks into the street, jumping

while the third one, shy
and introverted

gleams in the morning light –

I hereby think,

staring to the bridge of lilies,
the shallow water,

the purple shine of my territory,
the wrinkled Toyota downstairs on the street,

that I can stand one germ at the most:
that of invasive phrases,

that leap through the deceptive regularity of my verses
like damp cats.

 

(image 11)

(image 12)
(image 13)

 

Nine seconds: a purring animal
lies down on or by my lap,

meanwhile the air darkens above the city
and I stammer words I don’t understand myself.

Two oily wings, clammy and restless,

unfold and spread wide open.

I observe how the harpy tames the clouds
and stuns pedestrians who dread with its shadow

until it claps the wings, and leaves again.

Eyes widen downstairs.

The boy from the mail order company rings,

He throws a huge box by my feet
in which a bathing suit, a belly band,

some scotch, a book, yet to be read,
a bottle of bath oil, some too tiny glasses,

two pages from a thrown out newspaper,
a misspelled letter,

a curly lock from a lost love,
the print of his lips on the beer glass,

the African flower he once bought me
that I left on his doorstep

at our last encounter,
the train ticket and the underpants

he found on his way to the stairs.
The boy from the mail order company rings

and lectures: each parcel
entitles me receive one fully packed memory.

I return the curled lover to sender
and choose the soft memory of rain on the roofing,

of how I mask white spaces in this poem
with transparent tape.

 

(image 14)(image 15)(image 16)(image 17)(image 18)(image 19)(image 20)

Most people end as dried fruit
but start off as a fresh grape,

a tangerine, a nectarine,
a shiny, bursting apple.

Now suddenly a bud blooms
unquenchably from whithin

 

and even the softest partition splinters.
We don’t remember why this happened.

We don’t remember how our faces
looked like when it grew dark

and the air was filled with clouds,
shards and blood. We know

that next to us a black woman
held a child in her sling,

that the soldier at the entrance
just winked friendly,

that I seemed anchored in your gaze
by hands and feet,

and that I asked myself how many shopping carts you needed
to drag your world along

to the other side,
the sudden white

where all was quiet, three seconds,
or even nine, seven or ten.

 

I almost forgot the counting.

 

*

 

I wondered if you would stop by,

there was no room in your footprints.

I was playing with my own shadow,
reflecting the sun on my skin.

I had forgotten what I came to do
but watched myself turning

into a lion’s skin,

a flat boulder,

a sandbank,
fluttering sea weed that under water

resembles hands especially,
but then waving, and desperate

because every day you come and go
like the sharpened tide, that doesn’t seem to by-pass these minutes.

 

I wondered if you would stop by,

my head descended into the water

and started singing old songs into the blue:

my sarie marais, op all’oeken van de stad,

I’m standing down at the crossroads,
falling on my knees.

 

The problem is, I’ve got a little black book
and your name is written on every page

 

(image 29)

(image 30)

(image 31)

(image 32)

(image 33)

(image 34)

(image 35)

(image 36)

(image 37)

(image 38)
(image 39)

 

The thing is, I have a little black book
and your name is written on every page.
All those names I used to carve

in the palm of my hand

– mother, father, lover, child –
I used to forget them eventually,

but you, with your black name,
your unspeakable, burst,

with your inexhaustible, evaporating,
your gloomy, sprouting, tickling name,

 

I’ve written you down on the flat side of a stone,
thrown you aside of the sea.

 

All those names I usually carve
in the palm of my hand,

I’ve been forgetting them
and in the dark I only remember

my own name, your black book,
the bleeding trace of my hand on a boulder.

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *